Er was eens een tijd waarin mensen gewoon ‘anders’ waren. Je had de dromers, de denkers, de chaoten, de stilzwijgers, de overprikkelden en de types die in een kringgesprek liever onder een tafel kropen dan ‘hun weekend deelden’. Ze waren er gewoon. Soms lastig, soms briljant, vaak beide tegelijk. En niemand dacht bij elk afwijkend trekje direct aan een diagnose. Maar die tijd is voorbij. Tegenwoordig is alles wat niet keurig binnen de lijntjes kleurt, een stoornis. Een label. Een hokje. En boven elk hokje hangt een prijskaartje. Voor de zorgverzekeraar. Voor het systeem. En heel soms, als je geluk hebt, ook voor jou.
Welkom in de wereld van de DSM. Het Grote Boek der Afwijkingen. Elk jaar een beetje dikker. Elke versie wat uitgebreider, net als het kerstmenu van een eetcafé met keuzestress. Want blijkbaar is het handiger om mensen te behandelen als spreadsheet dan als mens. Zodra je valt onder een code, telt je probleem. Anders niet. Je moet een naam hebben. Een cijfer. Een classificatie. Pas dan mag je meedoen. Of in elk geval: pas dan word je vergoed.
Dus is het niet zo gek dat mensen zich erin laten duwen. Dat ouders opgelucht ademhalen als hun kind ‘eindelijk een label’ krijgt. Want zonder label geen begeleiding. Geen extra hulp op school. Geen begrip. Geen geld. En dat is geen drama van ouders die graag stoornissen willen, dat is een drama van een systeem dat alleen afwijkt als het gespecificeerd is in een paragraaf met een code achterin.
Wat levert dat op? Voor de verzekeraar: structuur. Controle. Een excuus om te bepalen wie wel recht heeft op zorg, en wie niet. Voor de behandelaar: duidelijkheid. En geld, want een diagnose opent het loket. En voor de maatschappij? Een gevoel van orde. Een vals idee dat alles te vangen is in verklaringen. Maar voor de persoon zelf? Vaak verwarring. Beperking. En een leven lang moeten uitleggen dat je geen wandelende handleiding bent.
Wat is er mis met een beetje raar zijn? Met anders denken? Met snel overprikkeld raken in een TL-verlichte wachtkamer vol mensen die hardop appen? Waarom moeten we alles dat afwijkt per se ‘herkennen’, ‘ondervangen’ of ‘monitoren’? Waarom niet gewoon zeggen: dit is hoe mensen verschillen? Punt.
Nou, omdat er geld aan zit. En macht. Want een samenleving waarin alles in hokjes zit, is overzichtelijk. En een overzichtelijke samenleving is bestuurbaar. Je weet wat je waar moet stoppen. Je weet wie je waar voor kunt inzetten. En het mooiste: je weet wie je wanneer kunt afschrijven. Want geen diagnose betekent geen dossier. En geen dossier betekent geen hulp. Dus duwen we liever in vakjes dan dat we luisteren.
En zo ontstaat er een wereld waarin gevoeligheid een probleem is, creativiteit een symptoom, en stilte een signaal van zorg. Een kind dat niet stil kan zitten, heeft geen ruimte — het heeft ADHD. Iemand die sociaal uitgeput is na een verjaardag, heeft geen voorkeur voor rust, het heeft ASS. En iemand die wantrouwend is na een reeks nare ervaringen? Die moet onderzocht worden op persoonlijkheidsstoornissen.
Zorgverzekeraars spelen hierin een rol die lachwekkend zou zijn als het niet zo pijnlijk was. Ze bepalen welke stoornissen ‘behandelbaar’ zijn. Welke hulp ‘evidence-based’ is. Ze maken protocollen voor levens die niet in protocol passen. En ondertussen verschuilen ze zich achter zinnen als: “We volgen het beleid.” Alsof dat beleid niet gemaakt is door dezelfde mensen die er garen bij spinnen.
Waar begon dit allemaal? Nou, ergens tussen goede bedoelingen en bureaucratisch enthousiasme. De DSM werd ooit bedacht om professionals een gemeenschappelijke taal te geven. Zodat psychiaters in New York en dokters in Parijs ongeveer hetzelfde bedoelden met ‘depressie’. Maar inmiddels is het geen hulpmiddel meer, het is een bijbel. En als je buiten die bijbel valt, besta je niet. Of erger nog: ben je ‘onbehandelbaar’.
We zijn vergeten dat gedrag context heeft. Dat iemand die ‘afstandelijk’ is, misschien gewoon niemand vertrouwt omdat hij te vaak besodemieterd is. Dat iemand die ‘chaotisch’ is, misschien gewoon tien gedachten tegelijk moet parkeren om jou aan te kunnen kijken. Dat ‘te gevoelig’ vaak gewoon betekent dat je zintuigen aan staan in een wereld die op standje schreeuw leeft.
Maar ja, daar is geen vergoeding voor. Dus geven we het liever een naam. Liefst eentje met drie letters. ADD. HSP. BPD. Dan kunnen we iets aanvinken. Iets registreren. En bovenal: iets doorsturen naar de zorgverzekering.
